Interview met Maarten Quaeghebuer
11/04/2005 - Klara

Recensie Maarten Qaeghebuer, Fresco 11 april 2005

Slot is een tekst van onze eigen Nobelprijswinnaar voor Litteratuur Maurice Maeterlinck. Bart Moeyaert ging er mee aan de slag. Heeft die tekst op jouw indruk gemaakt?
Het is een hele rare tekst. Het is qua essentie een sprookje, geschreven voor kinderen maar met een morbide inhoud. Het boekje heet eigenlijk La mort de Tintagiles, de dood van Tintagiles. Tintagiles is een jongetje, een heel klein jongetje dat verbannen leeft op een eiland en plots teruggeroepen wordt door de koningin. Die koningin is iets heel vreemds want het is een koningin die niemand ooit echt heeft gezien. Er wordt over gefluisterd dat ze misschien niet echt mooi zou zijn, dat ze met de dag breder wordt. Die koningin is een soort gevaarlijk mysterieus ding. Langzamerhand wordt duidelijk dat de jonge Tintagiles een bedreiging zou kunnen zijn voor haar kroon en dat ze hem daarvoor heeft laten komen; ze wil hem vermoorden, laten verdwijnen. Daartegenover speelt zich het verhaal af met een meisje, zijn zus, die een ongelofelijke liefde voor hem heeft opgevat, een hele mooie broederzuster liefde. Zij wil eigenlijk tot het oneindige gaan, ze wil haar broer verdedigen. Er is ook een grootvader die al iets meer vernederd is door de macht van de koningin. Hij heeft het al vaker meegemaakt. Hij heeft geleden en wil nog wel opstaan maar kent de situatie en weet dat als hij zich verzet, op het einde zijn krachten plots niet meer voldoende blijken te zijn. Dat is het verhaal. Het is een mooie hertaling maar het is eigenlijk een raar stuk omdat het vrij moeilijk speelbaar is. In de oorspronkelijke tekst is er een vrij grote passage waarin de zus tegen een poort zit te praten. Dat is een passage van een kwartier tot twintig minuten waarin vrij weinig spelmogelijkheden zijn. Dat is hier opgelost door in een oude liftenfabriek te gaan spelen. Dat is iets dat kan op een festival zoals Tweetakt dan kan je al eens uitpakken met een heel mooie locatie. Het is echt een oude fabriek. Je komt binnen, er is een soort helling gemaakt met kunstgras. Je kan op een bankje of kussens gaan zitten. Dat is het begin van de voorstelling maar uiteindelijk verhuis je met de hele troep toch nog naar een andere locatie. Als locatieproject is deze voorstelling bijzonder geslaagd. Er is niets verhuld van het gebouw, je ziet de industriële architectuur maar ze wordt gebruikt als dat mysterieuze, donkere slot waar je eigenlijk al een beetje van huivert en waaraan je niet mag denken als je daar als koningskind zou moeten opgroeien.

Die jongen moet echt een weg afleggen? Hoe doen ze dat?
Ja, je ziet eigenlijk een helling waarop je kan zitten en beneden speelt zich dan de situatie af waarbij de jongen op bed ligt en slaapt. De poort zie je. Je hebt uiteraard ook nog een heel hoog gebouw boven je en ze kunnen op een aantal verdiepingen hoger gaan en ze gaan inderdaad op het einde tot in de nok van het dak waar het jongetje zogezegd achter de poort zit bij de koningin. Wat er eigenlijk gebeurt dat weet je niet, dat wordt overgelaten aan je eigen creativiteit.

Als locatieproject is dit geslaagd, zeg je, als theaterproject in zijn geheel ook?
Er zijn een aantal bedenkingen. Allereerst of dit effectief een goede voorstelling is voor negenjarigen. Het is moeilijk omdat wij als volwassenen daar eigenlijk niet meer kunnen over oordelen. Ik heb persoonlijk de indruk dat dit een zware voorstelling is, het is niet een voorstelling waar je gelukkig van buiten loopt. Het is geen voorstelling waarvan je onmiddellijk denkt dat dit iets is waarover je met kinderen goed kan praten. Regisseur Bart Van den Eynde verdedigt zich goed en zegt ook dat voor kinderen niet alle dingen even traumatisch zijn zoals je ze als volwassenen ervaart. Hij geeft het voorbeeld waarmee je iedereen plat kan slaan. Hij zegt dat hij op zesjarige leeftijd het lijk van zijn grootmoeder heeft gevonden en dat dat voor hem helemaal geen traumatische ervaring was. Veel meer traumatisch was wel de manier waarop volwassenen daar op reageerden. Dat is voor mij bemerking nummer één.
Ten tweede wordt er zoals in de litteratuur van Maeterlinck voor archetypische personages gekozen. Er is de grootvader die met het grote zwaard wordt uitgebeeld en die de onrust en de bangheid van het personage naar voren brengt. Je zit met een sprookjesachtige zus. De grootvader wordt uitgewerkt als een soort van sciencefictionachtige robot die ‘ik ga je verdedigen’ uitstraalt. Dat gebeurt ook door stemvervormingen op de stem te plaatsen waardoor je bijna thrillergeluiden gaat veroorzaken. In dat opzicht wordt het effect van bangheid nog meer uitgewerkt zodat je er nog banger van wordt en dat had voor mij niet zo scherp gemoeten.

De fantastische Bart Slegers doet mee. Is hij de opa?
De manier waarop hij op de groene grasmat met dat zwaard loopt. Bart Slegers heeft natuurlijk een heel fijne fysieke verschijning. Dat maakt dat hij die grootvader bijna als een soort para neerzet. Hij draagt zwarte boots, zwarte broek en koltrui. Hij ziet er uit als iemand die de boel gaat verdedigen, het is alleen raar dat hij blijkbaar hier niet toe in staat is. Dat werkt als je er naar zit te kijken omdat je denkt dat die man een kracht moet hebben maar hoe sterk moet die koningin niet zijn als ze zelfs hem kan verslaan.